Er is een kort verhaal van de Amerikaanse schrijver Ernest Hemingway. In Spanje is de naam Paco veel voorkomend. Een vader die al lang op zoek is naar zijn zoon, reist af naar de grote stad Madrid. Hij huurt een hotelkamer en plaatst een advertentie in een Madrileense krant: ‘Paco, alles is vergeven en vergeten. Laten we dinsdag om 12 uur lunchen in Hotel Montana. Papa.’ Dinsdag rond lunchtijd moet de plaatselijke politie het verkeer in goede banen leiden. Er staan achthonderd jonge mannen op de stoep van het hotel die allemaal Paco heten.
Vergeven. Ik hoor het woord nog wel eens in een kerk maar nauwelijks in de stad. In rijtjes met de typische kenmerken van Amsterdammers zie je nooit ‘vergevingsgezind’ staan. Het lijkt een woord van vroeger. Ook in heel wat christelijke kerken in Nederland staat vergeving minder centraal. Dominees praten graag over God die liefde is. Ouders vertellen aan hun kinderen dat ze parels in Gods hand zijn. De biechthokjes waarin de katholieke priester absolutie kon schenken, staan over het algemeen leeg. De Australisch-Britse singer-songwriter Nick Cave heeft hier een interessante opvatting over. In zijn boek Geloof, hoop en ravage schrijft hij: “De vraag ‘kunnen we vergeven worden’ is een fundamentele vraag in ieders leven. Het is misschien wel de vraag waar ons leven om draait of waar zelfs de hele wereld om draait. En uiteraard is dat een religieuze vraag. Niet in de laatste plaats omdat de seculiere wereld niet in staat is geweest om deze vraag op een adequate manier te stellen.”
Cave zegt iets dat we even goed op ons in moeten laten werken. Drie kanttekeningen:
a) opvallend is dat Cave het thema vergeving passief maakt. De belangrijkste vraag is niet: ‘kan of moet ik iemand vergeven’ maar ‘hoe kan ik vergeving ontvangen’. Het gaat Cave er niet om of je iets moet doen, maar of je iets wilt zijn. Vergeving is niet moralistisch maar existentieel.
b) nog opvallender vind ik hoe Cave de vraag hoe je kan worden vergeven universeel maakt. Iedereen loopt er mee rond. Het is de belangrijkste vraag van je leven of van het bestaan. In termen van het verhaal van Hemingway: Paco zijn we allemaal.
c) Cave beschrijft een seculiere cultuur (waarmee hij zeker ook Amsterdam bedoelt) als een context die niet alleen geen ántwoord heeft op de zijnsvraag naar vergeving. Zo’n cultuur is niet eens in staat om de vraag goed te stellen. De behoefte aan vergeving gaat ondergronds, wordt onderdrukt. Dus als je denkt: ‘mijn belangrijkste levensvraag is helemaal niet hoe ik vergeven kan worden – en ik zou ook niet eens weten waarvoor’. Dan zou Cave zeggen dat ze je in je opvoeding en ontwikkeling iets heel erg belangrijks simpelweg niet hebben verteld. Het is een groot gat in ons geestelijke cv.
Terwijl ik nadacht over de stelling van Cave vond ik een column in het tijdschrift De Groene Amsterdammer. Hij komt uit 2014 en is van Opheffer, een pseudoniem van Theodor Holman, jarenlang columnist ook van het Parool. Opheffer zegt: ik heb eens meegemaakt dat een vriend werd vermoord. Het kan niet anders of dat gaat over Theo van Gogh. Ik citeer: “Een paar weken na die gebeurtenis kwam uit christelijke hoek de vraag: ‘Kun je vergeven?’ Vergeven…een woord waar ik eigenlijk nooit zo over had nagedacht, maar wat ik nu in een paar nanoseconden zou doen. Vergeven – wat was het meer dan een woord? Was het een handeling? Zo ja, welke? Ik wist het niet. Natuurlijk wist ik ongeveer wat het betekende. Iets van: ik moest het niet meer erg vinden. Iets van: zand erover. Iets van: en nu doorgaan. Iets van: we sluiten het hiermee af… Maar nee, ik wist goed beschouwd helemaal niet wat vergeving inhield.” Holman is heel eerlijk: vergeving? Geen idee. Ik ben dominee en theoloog. De afgelopen dertig jaar heb ik veel filosofische en theologische teksten over vergeving gelezen. Maar dat helpt me niet meteen om tegen Holman te zeggen: vergeving in deze situatie betekent voor jou zus en zo. Ja, wat is vergeving eigenlijk? Het is ook mijn vraag. En op de achtergrond zie ik Nick Cave knikken: in een seculiere Amsterdamse context leer je niet om de vraag om vergeving adequaat te stellen. Niet als schrijver en niet als predikant.
Van één van mijn vrienden weet ik dat hij Cave-fan is. Ik legde hem het citaat voor en vroeg: wat denk je er bij? Hij antwoordde: “Ik ben inderdaad ook iemand die vergeving in eerste instantie een ver van m’n bed show vind, maar daarna bedacht ik: als ik dit kon zouden mijn relaties in dit opzicht misschien eerlijker worden en ik zelf ontspannener. Het zou dus wel degelijk een heel belangrijk thema kunnen zijn.” Ook hij geeft Cave dus gelijk. Vergeving is een fundamenteel thema. En niet alleen voor moordenaars. Hij past het thema vergeving toe op zijn relaties (eerlijker) en zichzelf (ontspannener). Hij helpt me daarmee om vergeving ook dichter naar mezelf te brengen. Ook mijn relaties zouden in dit opzicht eerlijker kunnen zijn. En ook ikzelf ontspannener. Ik heb voorbeelden uit mijn eigen leven waarin ik mensen jarenlang niet heb willen zien en toch hebben we het goedgemaakt. Ons contact is daarna echter en relaxter. Ik heb ook mensen die ik nooit meer heb willen zien of omgekeerd. Daar valt wel mee te leven. Maar eerlijk en ontspannen voelt het niet.
Het zou weleens heel druk kunnen worden
Het opmerkelijke is dat vergeving in alledaagse situaties net zo moeilijk lijkt als in de verhalen over Paco (Hemingway) of Theo van Gogh (Holman). Zelfs door bijna onbenullige voorvallen – laten we zeggen een onhandig appje – kunnen mensen het contact jarenlang of zelfs levenslang verbreken. Eén van de langstlopende televisieprogramma’s is Het familiediner. In de meeste afleveringen gaat het om één verkeerde opmerking en elkaar daarna jarenlang niet meer willen tegenkomen. En dan stappen er huilende broers en zussen uit zo’n taxi. Soms na vijftien jaar. Amsterdam telt duizenden Paco’s. Mensen die vergeven moeten worden, of een ander iets te vergeven hebben. Hoeveel van de 942.000 Amsterdammers zouden, misschien na enig nadenken, níet een verhaal kunnen vertellen dat over vergeving gaat? Wat zou er gebeuren als je een advertentie zou plaatsen: ‘Jan, of Fatima, of Danny of Annelies of Tim, laten we elkaar morgen op de Dam ontmoeten. Alles is vergeven en vergeten.’ Het zou wel eens heel druk kunnen worden.
Nick Cave vertelt hoe het nog wel het allermoeilijkst is om jézelf te vergeven. In zo’n proces ben je immers gever en ontvanger tegelijk. Hij had een zoon, Arthur, die op 15-jarige leeftijd onder invloed van een klif sprong en overleed. Cave schrijft hoe schuldig hij zich daarover voelt. Als vader, als iemand die niet waakzaam genoeg was. En mijn vrouw heeft het ook, zegt hij. Beide zijn kunstenaars, hij met muziek en zij met textiel. Al onze kunstwerken drukken een verlangen naar vergeving uit. Citaat: “Er is geen liedje of woord, geen naald of draad, die niet vraagt om vergeving, die niet zegt hoezeer het ons spijt.” Hij gaat nog een stap verder: “Ik denk dat ook Arthur zelf spijt heeft over wat er met hem gebeurd is. Over hoe wij er aan toe zijn. Dat baart me zorgen.” Ik zei al dat vergeving bij Cave niet moralistisch is. Het is existentieel. En spiritueel: het gaat over onzichtbare verbanden die voorbij grenzen van leven en dood gaan. Het gaat over de last van het bestaan. Over alles wat dit leven zwaar maakt, wat ons gijzelt. In elke tijd en cultuur is dit een groot thema. En zelfs wij, die leven in een tijd waarin die vragen niet meer echt gesteld worden, kunnen onszelf toch herkennen in het gevoel van Cave of van Arthur. In Paco of diens vader. In de wens om eerlijker te zijn, ontspannener. We neuriën mee met Elton John: sorry seems to be the hardest word. Ik denk dat Cave gelijk heeft. Dit is iets van alle tijden en van alle mensen. Dit gaat ook over jou en mij.
Als je aan Jezus van Nazaret vraagt: ‘wat versta je onder vergeven’, dan antwoordt hij (en ik citeer hem letterlijk): Tegen jullie die naar mij luisteren zeg ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen. Het is de christelijke traditie in een notendop, terwijl die woorden toch maar weinig navolging hebben gekregen – en dat niet pas in onze seculiere tijd. Ik doe een poging om wat beter te begrijpen wat hij hier mee bedoelt (en maak daarvoor dankbaar gebruik van inzichten van andere commentatoren op deze tekst).
a) dit is geen gebod of ethiek. Je kunt het niet leren op school en je kunt er evenmin op trainen. Let op hoe Jezus begint: jullie die naar mij luisteren. De vraag is of je al eerder hebt ingeschakeld. Of je bereid bent mee te gaan in een héle andere manier van kijken, het perspectief van een nieuwe wereld. Zoals de oudtestamentische profeet Jesaja ergens spreekt over een paradijselijke situatie waarin leeuw en lam samen grazen, zo stelt Jezus zich een wereld voor waarin vijand en vijand in vrede naast elkaar bestaan. Maar meteen haalt Jezus die wereld ook weer naar het nu. Het is een soort extra zaligspreking, deze zin. Gelukkig de mensen die vijanden hebben, die gehaat of vervloekt worden, want zij hebben de kans om iets van het koninkrijk van God te laten zien. Nieuwtestamenticus Tom Wright vat het samen als ‘glorieuze en absurde generositeit’.
b) dit is niet totaal nieuw. In alle oude oosterse culturen vindt je wetten om ‘je vijanden lief te hebben’. Meestal in de vorm van ‘oog om oog en tand om tand’. Zo staat het ook in de wet van Mozes. Dat klinkt wraakzuchtig maar zo is het niet bedoeld. Iedere vorm van (straf)wetgeving is een poging om blinde wraakzucht in te dammen. Ja, er is iets kapotgemaakt. Maar dat wil niet zeggen dat jij vervolgens degene die het heeft gedaan, diens familie, diens stam of zelfs diens hele land mag verwoesten. In het Oude Testament gaat het vaak over Gods (en Israëls) vijanden en die worden meestal gehaat en vaak gedood en dus helemaal niet liefgehad. En toch zijn er ook steeds verhalen over dat zelfs een moordenaar een mens blijft en bescherming verdient. Of hoe mensen die elkaars vijand zijn, elkaar vinden als broers of zussen. Dat zijn ook nu nog de passages in oorlogs- en andere films die ons het meest ontroeren. Eigenlijk zegt Jezus: als je van die uitzonderingen nou eens de regel zou maken? Met realiteitsbesef gaat dat niet. Met visionaire verbeeldingskracht wel.
c) dit vergt een geloofsovertuiging. En het woord ‘God’ is daarvoor nog te abstract. Veel mensen die in (een) God geloven, haten evengoed hun vijanden. Het geloof waar ik hier op doel gaat zo. Ik omhels mijn vijand, en hij begint te huilen en legt zijn wapen neer. Ik ben, doe en praat onverminderd goed, en laat daarmee het haatgevoel en -gedrag van iemand anders smelten. Iemand zegent mij terwijl ik sta te vloeken, en ik val stil. Iemand begint te bidden en ik laat mijn net nog gebalde vuisten zakken. Dit is geen slappe hap, maar één van de sterkste krachten die er bestaan. De apostel Paulus vat het ergens samen als overwin het kwade door het goede. Je moet gelóven dat zoiets bestaat om het te kunnen doen.
d) dit gaat niet zonder God. Theoloog Miroslav Volf (Yale) zegt: “Volgelingen van Christus denken bij vergeving altijd in een driehoek. Er is altijd een dader, een slachtoffer…en God. Haal God weg, en het fundament om te vergeven wordt wankel, verkruimelt zelfs.” Dat is precies de reden die Jezus noemt om te vergeven: want ook God is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is. De enige reden voor een mens om te vergeven is dat Gód vergeeft. Het is niet toevallig dat Jezus spreekt in sterk religieus gekleurde woorden spreekt: je vijand liefhebben, goed voor hem zijn, hem zegenen, voor hem bidden. Vergeven vereist een connectie met het goddelijke of met God. Er zijn veel religieuze mensen die nauwelijks of niet vergeven. De vraag is of zij werkelijk connectie met God hebben. Er zijn veel niet-religieuze mensen die toch echt kunnen vergeven. De vraag is of zij in werkelijkheid niet dicht bij het koninkrijk van God zijn. Nick Cave zegt het zo: “Ik heb ontdekt dat God met alle dingen verweven is, zelfs het grootste kwaad en de diepste wanhoop. Soms voel ik dat de wereld draait op een rijke, lyrische energie. Op andere momenten voelt het vlak en boosaardig. Ik realiseerde me dat God aanwezig en actief is, zowel in het één als in het ander.”
Theoloog Stanley Hauerwas heeft vaak gezegd dat ‘heb je vijanden lief’ in de eerste plaats een spirituele weg is voor mensen richting God. God vóelt als een vijand, zegt hij, voor mensen die graag autonoom zijn en het liefste leven in zelf gecreëerde verhalen. Wie God niet kent, komt daarom niet graag in zijn buurt en wie God wel denkt te kennen, neemt vaak afstand, bewust of onbewust. Het was Jezus die ooit het verhaal vertelde van een Vader die twee zonen had, twee Paco’s. Vader wás geen vijand, maar de beide zoons dáchten het, ieder op hun eigen manier. Ook die Paco’s zijn wij allemaal. De boodschap van dat verhaal is dat God ons lief heeft. Ook als wij ondankbaar en kwaadwillig zijn.
Vergeving is een groot thema in alle religies en in veel vormen van filosofie. In rechtszalen, aan keukentafels en in Netflix-series. Cave heeft gelijk: het is een fundamentele kwestie die de mensheid altijd al bezighoudt. Maar nooit heeft iemand ooit gezegd: God is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is. Zelfs Mozes niet. En ook geen andere religiestichter of filosoof. Waarom zou het waar zijn wat Jezus beweert? Waarom is zijn uitspraak destijds opgetekend en wordt die nu al tweeduizend jaar tot in alle uithoeken van de wereld vaak gelezen en soms in praktijk gebracht? Het moet iets te maken hebben met de indruk die Jezus destijds heeft gemaakt. Met hoe hij belichaamt wat hij steeds zegt. In heel zijn leven, juist ook in zijn lijden, heeft Jezus zijn vijanden lief, is hij goed voor wie hem haten, zegent hij wie hem vervloeken en bidt hij voor wie hem vervolgen. Aan het kruis zegt hij nog: Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen. Zelfs een Romeinse soldaat zegt daar: deze is de ware Paco, de Zoon van de Vader. Hotel Montana in Madrid is een fictieve plek. Hotel Golgotha in Jeruzalem is echt. Daar hebben Vader en Zoon elkaar echt en diep ontmoet. Alles is vergeven. Het kruis is een groot geloofsmysterie, maar zoveel is helder: in spirituele zin is het de plek waar die grote vraag van Cave, van alle mensen zelfs, wordt beantwoord. Alles is vergeven. Dit gaat niet alleen over het verleden en het nu. Het is ook de hoeksteen voor een nieuwe wereld. Waarin leeuwen en lammeren elkaar liefhebben, en mensen idem dito. De wereld waarin er geen vergeving meer zal zijn, omdat er alleen maar gegeven wordt.
Als de Paco van Hemingway door zijn vader wordt omhelsd – alles is vergeven – gaat dat niet alleen over stomme fouten of een financiële schuld. Ook de boosheid wordt daar vergeven, de pijn, de zinloosheid, de onmacht – en al die dingen die mensen tot mensen maken. Mijn vriend zegt: als je kunt geloven dat zoiets tussen mensen mogelijk is, zou je daar eerlijker en ontspannener van worden. Cave gebruikt woorden als bevrijding en zuivering. De apostel Paulus gaat nog een stuk verder als hij zegt: als dit tussen mens en mens en tussen God en mens mogelijk is, wat zou zelfs de duivel of de dood je dan nog kunnen doen? En Nick Cave zegt in een recent bericht waarin hij reflecteert op de 10e sterfdag van Arthur: “Deze dagen ben ik niet wantrouwend naar de wereld, hoewel mijn hart om haar breekt. Ik ben niet wanhopig, depressief of verbitterd. Ik zie ‘heartbreak’ als de meest passende reactie op de staat van de wereld. Zeggen ‘ik hou van je’ is zeggen ‘mijn hart breekt voor jou’ en dit gevoel resoneert met alles en verlicht zowel deze wereld als die aan de andere kant van het gordijn.”
Heb je vijanden lief, zegt Jezus. Hij laat het aan onze verbeelding en context over wat dat betekent. Ik las een interview met een 100-jarige Amsterdamse, Hansje van Wijk. Zij werd geboren in 1925 en zat in het verzet. De interviewer vraagt: ‘Hoe heeft de oorlogstijd u gevormd?’ Ze antwoordt: “Ik ben opgevoed met het christelijke credo ‘heb je naaste lief als jezelf’, maar daar heb ik moeite mee gehad. Na de oorlog bleef ik vijandigheid voelen jegens Duitsers. Ik zei tegen mezelf: ‘Doe niet zo kinderachtig, niet alle Duitsers zijn hetzelfde. Het is krankzinnig een hekel te hebben aan een heel volk.’ Ik ben naar bijeenkomsten in het Goethe-Institut gegaan, naar lezingen over Duitse literatuur, om veel Duits te horen praten, en zo van mijn afkeer af te komen.” Hier spreekt een eerlijke, ontspannen vrouw. Jezus zegt niet: leer Duits. Maar ik denk dat Hansje van Wijk hem heel erg goed verstaan heeft. De taal van je vijand spreken, het prikkelt mij enorm om te bedenken wat ik daarin zou kunnen doen. Moge Gods Geest ons inspireren met vele en concrete manieren om vijanden lief te hebben, juist als het moeilijk is en ook in ieder klein begin.
Weerbarstig is een prachtig woord. Niet meegeven. Recalcitrant zijn. Tegengif bieden. Dat is wat profetie bedoelt te zijn. Ad van Nieuwpoort durft en doet het. Zijn boek is prachtig, beleeft inmiddels een 6e druk en zal gezien de actuele situatie in de wereld wel ergens eindigen met een 15e.
Antibiotica-resistentie. Het is één van de vele voorbeelden van hoe het moderne vooruitgangsgeloof onder druk staat. Andreas Reckwitz werkt als socioloog aan de Humboldt-universiteit in Berlijn. Hij schreef een boek waarin hij stelt dat ‘verlies’ één van de grote problemen van onze tijd is.
Onlangs werd in Nederland voor de zestiende keer de Week van de Eenzaamheid georganiseerd. Naar eenzaamheid wordt veel onderzoek gedaan, onder andere door het RIVM, het Verwey Jonker Instituut en de Hogeschool van Amsterdam. In dergelijke onderzoeken tref je vaak opvallend hoge percentages aan. Het lijkt wel alsof zo’n beetje iedereen zich eenzaam voelt.