De overgang van een oud naar een nieuw jaar is in alle culturen een belangrijk ritueel moment. Het is een soort van spiegel voor een samenleving: vertel mij hoe je oud en nieuw viert, en ik zal zeggen wie je bent. Dus laten we maar in die spiegel kijken. Oud en nieuw 2025/26 was erg onrustig, best gewelddadig ook, lawaaierig sowieso. Ik leerde een nieuw woord: vuurwerkmitrailleur. In Amsterdam ging het in vergelijking met andere Nederlandse steden nog relatief goed. Hoewel: hier brandde de Vondelkerk af. Een vriend van me die er bij stond zei: “De brand zelf was een inferno. Op straat stond ik tussen mensen die vreesden voor hun huis, anderen die juichten toen de torenspits instortte én toeristen op zoek naar de best mogelijke plek voor een selfie.” Ook in die categorieën zie je iets van onze samenleving weerspiegeld. Burgemeester Halsema zei naar aanleiding van het gooien van zwaar vuurwerk naar hulpverleners dat heel wat Amsterdammers bij zichzelf te rade moesten gaan. Misschien moeten we dat allemaal wel. Ook als je geen vuurwerk afsteekt: deze maatschappij, dat zijn (ook) wij.
In de christelijke traditie gaat oud en nieuw niet zozeer om een dag maar meer om een persoon. Ik bedoel Jezus. In heel veel verhalen en citaten maakt Jezus een scherp contrast tussen ‘oud en nieuw’. Volgens hem bestaat er een oudejaarswereld. Die is al bijna voorbij. Het is twee voor twaalf, of misschien wel vijf óver twaalf. En aan de andere kant gelooft Jezus in een nieuwjaarswereld. Die is al begonnen, en breekt steeds meer door. Jezus maakt dat existentieel door steeds te suggereren: je hebt als mens een keuze. Doe je in je leven mee met het oude? Je kunt dat in principe volhouden tot op je sterfbed. Of wil je onderdeel zijn van het nieuwe? Zelfs een kind kan daar al mee beginnen. Soms laat Jezus in het midden wat nu precies oud en nieuw is, maar vaker is hij heel concreet.
Die vraag, of je mee doet met het oude of het nieuwe, maken we bij Citykerk tot thema voor deze maanden, zo tot aan Pasen. We gaan ons verdiepen in wat algemeen beschouwd wordt als de belangrijkste toespraak van Jezus, die vaak ‘de rede op de berg’ wordt genoemd en die in drie evangeliën te vinden is (met veel overeenkomsten maar ook verschillen). Ik gebruik de tekst van de derde evangelist, Lucas. Daar is de toespraak korter en nóg meer zwart-wit (oud-nieuw) dan elders. Ik knip die tekst uit Lucas hoofdstuk 6 in zes stukken en begin vandaag met de inleiding,
Die inleiding gaat als volgt. Toen Jezus met de twaalf discipelen de berg was afgedaald, bleef hij staan op een plek waar het vlak was. Daar had zich een groot aantal van zijn leerlingen verzameld, evenals een menigte mensen uit heel Judea en Jeruzalem en uit de kuststreek van Tyrus en Sidon. Ze waren gekomen om naar hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen. De hele menigte probeerde hem aan te raken omdat er kracht van hem uitging en hij iedereen genas. (Lucas 6,16-19)
Lucas schrijft dit niet alleen op als een historisch verslag, maar ook als een uitnodiging aan lezers om in te stappen in die menigte, mee te kijken en luisteren.
-waar zijn we?
-met wie zijn we?
-naar wie luisteren we?
-wat zoeken we?
-wat doen we?
Waar zijn we. In het evangelie van Matteüs dankt deze toespraak zijn naam ‘bergrede’. Jezus ging de berg op, staat daar. Lucas draait het om: Jezus komt de berg af, naar beneden. Nu kan dat prima naast elkaar bestaan, want bergop of bergaf gaat nooit in een rechte lijn. Waarschijnlijk is Jezus ergens halverwege, op een plateau. Maar Lucas wil ook nog iets anders zeggen. Hij is de evangelist die begint te vertellen van Betlehem, een kribbe en herders, en dat God op deze manier naar mensen afdaalt. Dat is ongekend. Zeker voor joodse mensen, voor wie het verhaal van God begint boven op een berg, de Sinaï, waar het dondert en bliksemt en niemand omhoog mag klimmen behalve Mozes. Dat verhaal speelt hier mee maar Lucas keert het om: deze keer hoeft niemand hoog te klimmen. Ik kom wel naar jullie, zegt Jezus. Met de woorden van God. Die breng ik als het ware gewoon bij je thuis. Ik representeer een God die niet alleen hoog in de hemel of op een berg is, maar die juist mensen opzoekt in de vlakte, in het dal. Een God van beide voeten op de grond of sterker: van poten in de modder. Goed nieuws voor ons lijkt me. Amsterdam ligt lager nog dan het dal, twee meter onder zeeniveau zelfs. Wij houden niet van mensen die zich hoog verheven voelen boven de rest. En we zijn mensen die eraan gewend zijn dat alles wat je nodig hebt met een bestelbusje bij je thuis wordt afgeleverd. Met zijn manier van ‘afdalen’ sluit Jezus in ieder geval goed aan bij waar wij zitten.
Met wie zijn we. Lucas vertelt van een hele grote groep, een menigte, maar hij specificeert ook. Er zijn allerlei (veel meer dan 12) mensen die zich ‘leerling van Jezus’ noemen en dus vaker bij hem zijn. Er zijn allerlei belangstellenden gekomen, uit Judea en uit de stad Jeruzalem. En dan zijn er mensen uit de kustgebieden van Tyrus en Sidon, gebieden die in die tijd niet bij Israël horen en dus vermoedelijk mensen van niet-joodse origine. De conclusie is: iedereen kan aanhaken. Er is geen voorkennis nodig, ook niet een bepaalde levensbeschouwing. Jezus is net zo interessant voor toeristen als voor stamgasten en net zo toegankelijk voor mensen die hem voor het eerst horen als voor wie hem al vaak heeft gehoord. Het is meteen ook een criterium voor kerken vandaag: als het echt over Jezus gaat, moet het in principe aansprekend én begrijpelijk zijn voor iedereen. Een mooie uitdaging voor ons als Citykerk ook. Je vindt die verschillende groepen van toen ook in onze community terug. Iedereen moet er iets mee kunnen.
De bergrede is voor mensen die weten hoe het voelt om ‘being lost and being blue’ te zijn, die wel wat visie en hoop kunnen gebruiken, die het op z'n minst willen proberen.
Naar wie luisteren we? Naar Jezus als iemand met de gave van het woord. Hij past in wat we vandaag ‘motivational speakers’ noemen. De mensen die de grote vragen bespreken waar we allemaal tegenaan lopen: wie ben ik, wat is goed om te doen, in wat voor tijd leven we? Maar ook naar Jezus als een revolutionair. Dat heeft met dat ‘oud en nieuw’ te maken. Het geniale maar ook verontrustende van Jezus’ rede is dat hij over een nieuwe wereld spreekt. Een wereld die toen hij deze woorden uitsprak al haaks stond op de maatschappelijke orde en eigenlijk in alle tijden daarna ook. Er is nooit een tijd geweest waarvan je kunt zeggen: nu doen ze precies wat Jezus zegt. Jezus keert de normale orde van de dingen ondersteboven, hij zet de wereld op z’n kop. Of – vraagt nieuwtestamenticus Tom Wright – moet je zeggen dat Jezus de wereld ‘terug naar normaal’ wil brengen, zoals het bedoeld is? Gooit Jezus de hele legpuzzel door de war of vallen bij hem alle puzzelstukjes op hun plek?
Wat zoeken we. Dat Jezus ‘words of wisdom’ heeft, weten ook vandaag nog tal van mensen, gelovig of niet. En daar kwamen de mensen tweeduizend jaar geleden óók voor. Maar zij zoeken nog iets anders: genezing van al hun ziekten. Zelfs als het vormen van bezetenheid zijn, waar geen arts in die tijd iets aan kan doen. Het theologische woord dat hier bij hoort is heling. Voor een romanschrijver is het goed gedaan, dit effectbejag. Of zit het anders? In onze samenleving ligt de hoogste vorm van gezag niet meer bij priesters of dominees. Artsen hebben nu het hoogste en vaak ook het laatste woord. Een medische diagnose heeft enorm gewicht. Ik zeg dat omdat juist van Lucas bekend is welk beroep hij had. Evangelist zijn was een hobby. Arts zijn was zijn vak. Waarom zou een dokter een conclusie trekken over vele plotselinge genezingen, als de eerste de beste ooggetuige destijds had kunnen zeggen: wat een bullshit? Het beste startpunt, hoe wonderlijk ook, is: dit is ongeveer gebeurd zoals Lucas het opschrijft. Hij suggereert ook dat Jezus éérst al die mensen heeft geheeld. En dat ze vanuit een situatie van collectieve euforie – wat is hier aan de hand! – vervolgens een toespraak van Jezus krijgen over ‘en nu de rest van de wereld nog’. Ik kom daar in de loop van deze serie nog een paar keer op terug. Nu wil ik alleen zeggen: ik denk dat het de moeite waard is om Jezus’ toespraak goed te gaan beluisteren.
Elk jaar rond oud en nieuw klinkt ABBA’s Happy New Year uit de speakers, bijna net zo tijdloos als Jezus’ bergrede. Het gaat, heel herkenbaar, over hoe het voelt als de champagne op is en het vuurwerk uitgedoofd. Hoe je je dan ‘feeling lost and feeling blue’ kan voelen. Ik luisterde nooit goed naar hoe de tekst verder gaat. Pas nu raakt het me, omdat het over ‘hope and vision’ blijkt te gaan:
Happy New Year, Happy New Year
May we all have a vision now and then
Of a world where every neighbour is a friend
Happy New Year, Happy New Year,
May we all have our hopes, our will to try.
If we don’t, we might as well lay down and die, you and I…
Wat doen we. Na een goede toespraak geven wij applaus. Hier is het effect van én de genezingen én de woorden dat iedereen in die menigte Jezus wil aanraken. Ze voelen de kracht van zijn woorden, zijn handen, van zijn charisma en geest. Het bijzondere is dat je de kracht van die woorden tweeduizend jaar later nog steeds kunt navoelen. De Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson zegt dat deze toespraak een totale mix is van ethiek en mystiek: besef van wat goed is om te doen hangt samen met eerbied voor het mysterie van en achter het leven. Champagne en vuurwerk zijn prima (vind ik), maar ze gaan niet over ethiek en al helemaal niet over mystiek. De bergrede is voor mensen die weten hoe het voelt om ‘being lost and being blue’ te zijn, die wel wat visie en hoop kunnen gebruiken, die het op z’n minst willen proberen. Omdat je anders net zo goed dood neer kunt vallen. Zo existentieel is het bij ABBA en zo is het bij Jezus. Ik vind het mooi dat in de oorspronkelijke tekst staat dat iedereen Jezus wil aanraken. Oude mensen en kinderen. Sceptici en religieuze fanatici. Mensen met en zonder beperking. Hoeren en heiligen. Zoals we nu Citykerk vormen zijn we nogal verschillend. En we gaan allemaal elke dag om met héle verschillende mensen. Aan al die mensen is de ‘bergrede’ (of dal-toespraak) gericht. Vandaag zou een merkstrateeg zeggen: Jezus is voor iedereen.
Als belangrijke geluksfactoren zijn aanwijsbaar: een vaste baan, een eigen woning, geregeld contact met andere mensen. Dat hadden we zelf kunnen bedenken. In onze Westerse cultuur wordt de opvatting van geluk gedomineerd door uiterlijke omstandigheden. Als je gezond bent, geld en een baan hebt, en vrienden, en als je óók nog in een ‘happy city’ woont, dan moet je in dit denken erg gelukkig zijn.
In de eerste maanden van 2024 schreef ik het boekje HOOP. Co-auteur Jeanneke en ik traden deze week samen op op een bedrijfs-event. Ons boekje wordt alleen maar actueler, denken we zelf. In de longread van deze week probeer ik te laten zien waarom dat zo is.
Emotiemarkt is een synoniem voor beleveniseconomie. Beide termen verwijzen naar alle producten en vormen van dienstverlening die gericht zijn op het bevredigen van emotionele behoeftes van mensen als groep of de mens als individu. Ik citeer uit de eerste alinea: “In de inhaalslag is Emotie voorop in de agenda gekomen. (…) De emotiemarkt is niet alleen een cultuurfilosofisch, maar ook een psychologisch interessant fenomeen, omdat belevenis niet een luxespeeltje blijkt te zijn, maar een onmisbaar aspect voor onze overleving.”